|

Nostradamus,
astrologie
en de Bijbel
|
Twee
tijdstructuren
In het onderzoek dat ten grondslag heeft gelegen aan Nostradamus,
astrologie en de Bijbel (De Meern,
2002) heb ik uit de Centuriën een tijdstructuur van 8000 jaar afgeleid. Deze
tijdstructuur, die ik het millenniummodel heb genoemd, loopt van 25 april 4173 v.Chr.
(de schepping van de wereld, zoals verwoord in Genesis) tot 25 april 3827
AD (het Laatste Oordeel, zoals verwoord in Openbaring).
Het
millenniummodel is afgeleid uit
het Voorwoord aan César, de tweede bijbelse chronologie in de Brief aan Henri
II en kwatrijn 10-74, dat in Nostradamus,
astrologie en de Bijbel gekoppeld is aan wat in Openbaring 19,17-20,6 geschreven is over de dood van
het beest, de valse profeet en hun aanhangers en over de Eerste
Opstanding,
de verrijzenis van de martelaren die vanwege hun getuigenis van Jezus
gedood
zijn. Volgens kwatrijn 10-74 vinden deze gebeurtenissen plaats bij de overgang van het zevende
millennium in het achtste. Volgens het millenniummodel vindt deze
overgang plaats in 2827 AD. In het millenniummodel wordt het zevende
millennium door de Zon geregeerd en het achtste door Saturnus, wiens
heerserschap terugkeert, conform een opmerking in het Voorwoord aan
César, omdat Saturnus in het millenniummodel ook over het eerste millennium regeert.
Het jaar 3797 in het Voorwoord
aan César is volgens Nostradamus, astrologie en de Bijbel
het jaar waarin Satan bij het ten einde lopen van het bijbelse
Duizendjarig Rijk (Openbaring 20,7) wordt
vrijgelaten.[1]
De Franse Centurie-onderzoekers Yves Lenoble (1999)
en dr. Patrice Guinard (2006 en 2009) veronderstellen dat het jaartal 3797 in het
Voorwoord aan César een cryptische
weergave is van het jaar 2242 AD, waarop volgens hen in kwatrijn
01-48 gezinspeeld is. Het jaar 2242 AD is
het laatste jaar van het laatste Grote Jaar (een periode van 354 jaar en
4 maanden) in de derde cyclus van zeven Grote Jaren.
Nostradamus zou bij het getal 1555 (1555: het jaar waarin de eerste centuriën
verschenen), het getal 2242 hebben opgeteld. Het laatste Grote Jaar in
de serie van zeven Grote Jaren wordt geregeerd door de Zon. Het
opvolgende eerste Grote Jaar van de nieuwe cyclus Grote Jaren wordt
geregeerd door Saturnus. Lenoble en Guinard
beschouwen de opmerking in het Voorwoord aan César over de heerserschappen van de Maan en de Zon en het terugkerend
heerserschap van Saturnus als een echo van een opmerking in Livre de l'estat et mutation des
temps (Richard Roussat, Lyon, 1550, een in 1549 voltooide bewerkte
heruitgave van Le periode cest a dire la fin du monde (Pierre
Turrel, Dijon, 1531), waarin deze heerserschappen beschreven zijn.[2]
Volgens Guinard wijzen diverse elementen in de Centuriën op een tijdstructuur van 7000 jaar, eindigend in 2242 AD. Dit
jaartal is in zijn ogen niet toevallig; Guinard signaleert een
overeenkomst tussen de periode van 2242 christelijke jaren waarna de
wereldgeschiedenis een wending neemt en de volgens de Septuagint 2242 jaar durende periode
vanaf de schepping van de wereld tot de Zondvloed, die aan de
wereldgeschiedenis een wending heeft gegeven. De tijdspanne van de eerste bijbelse chronologie, 4757 / 4758 jaar,
zou symbolisch bedoeld zijn en
samen met de 2242 jaar na de geboorte van Christus een totaal van 7000
jaar vormen. Guinard
veronderstelt verder dat de periode van 177 jaar, 3 maanden en 11 dagen in
het Voorwoord aan César, de helft is van een Nostradamiaans Groot Jaar van 354
jaar, 6 maanden en 22 dagen. Dit halve Nostradamiaans Groot Jaar eindigt op 15 februari 2242 AD, de
einddatum van het
laatste Grote Jaar van de derde serie Grote Jaren en begint in
2065 AD, 500 jaar na het overlijden van Nostradamus in
1566. Guinard stelt dat Nostradamus in kwatrijn 03-94 (De
cinq cent ans plus compte lon tiendra Celuy qu'estoit l'ornement de son
temps...) op zijn overlijden in 1566
heeft gezinspeeld en op het feit dat 500 jaar
later de woelige periode begint die in het Voorwoord aan César is
aangestipt met de aanduiding 177 jaar, 3 maanden en 11 dagen, die zijn
einde vindt in het laatste
Grote Jaar van de derde serie Grote Jaren, waarop in
kwatrijn 01-48 is gezinspeeld, waarna een nieuw tijdvak zal aanbreken.
Uit het bovenstaande
blijkt dat in de Centuriën twee
tijdstructuren staan met elk hun eigen looptijd en eindjaar en die elk met een kwatrijn en een bijbelse
chronologie onderbouwd kunnen
worden. Dit is strijdig met de opmerking in de Brief aan Henri II
dat er in de Centuriën geen tweeledigheden staan en dat de
gebruikte berekeningen niet tot meer dan één uitkomst leiden. De
verschillende looptijden en eindjaren van de voorspellingen in de Centuriën
zijn verder in strijd met een opmerking in het Voorwoord aan César
dat de mensen zullen zien dat alle voorspelde gebeurtenissen zich
onherroepelijk zullen voordoen op de manier zoals in de Centuriën is
opgetekend. Op deze manier verliezen de Centuriën hun
geloofwaardigheid. In dit artikel wordt een mogelijke oorzaak van
deze tweeledigheid besproken en de gevolgen ervan voor het beeld dat de Centuriën
één consistent geheel vormen, door één auteur zijn geschreven en
in de loop van een paar jaar in delen gepubliceerd zijn.
De weg
terug: van de Brief aan Henri II via het Voorwoord aan César naar Livre
de l'estat et mutation des temps
Professor Pierre Rodrigue Brind'Amour
(1941-1995), filoloog en vooraanstaand Canadees Centurie-onderzoeker, heeft in zijn
boek Nostradamus Astrophile - les astres et l'astrologie dans la vie
et l'oeuvre de Nostradamus (Ottawa, 1993) uitvoerig aandacht besteed
aan de bijbelse chronologieën in de Brief aan Henri II en er een aantal
afwijkingen in gesignaleerd die volgens hem het gevolg waren van
zetfouten.[3] Deze
afwijkingen en de zetfouten die eraan ten grondslag zouden kunnen
liggen, zijn ook ter sprake gekomen in de artikelen die ik enkele jaren
geleden over de bijbelse chronologieën heb geschreven.[4]
De mogelijkheid dat de eerste bijbelse chronologie het
voorchristelijke deel is van een periode van 7000 jaar, lopend van
de schepping van de wereld tot haar einde in 2242 AD, werpt een nieuw licht op de oorzaak van de afwijkingen in
deze chronologie
ten opzichte van tijdgegevens in bronnen zoals de Septuagint. Naar mijn mening
hebben niet de tijdgegevens in bronnen zoals de Septuagint als uitgangspunt
gediend om vast te
stellen dat de wereld in 2242 AD ophoudt te bestaan, maar is
teruggerekend vanaf het jaar 2242 AD,
zijnde het laatste jaar in een
periode van 7000 jaar. Uit bronnen als de Septuagint kan voor zover ik kan zien geen
voorchristelijke periode van 4757 / 4758 jaar, beginnend met
de schepping van de wereld, worden afgeleid. Om het zevenduizend jaar
durend bestaan van de wereld op bijbelse gronden te funderen, is een
chronologie van bijbelse personen samengesteld (de eerste bijbelse
chronologie), waarin een aantal bestaande tijdgegevens,
afkomstig uit bronnen als de Septuagint, bewerkt zijn (periode Schepping -
Noach: 1242 jaar in plaats van 2242 jaar) of oncontroleerbaar
gehouden (de periode David - Christus zou volgens "een groot aantal
tijdgeleerden" 1350 jaar hebben geduurd). De afwijkingen in de eerste bijbelse
chronologie ten opzichte van bronnen als de Septuagint zijn niet het gevolg van zetfouten, maar van een
bewuste bewerking van brongegevens.
Het idee dat het jaar 2242 AD het laatste jaar is in een periode van
7000 jaar, vloeit naar mijn mening voort uit een verband dat is
verondersteld tussen twee
passages in het Voorwoord aan César, die zijn weergegeven aan het einde
van deze paragraaf en die zich laten terugvoeren op Livre de l'estat... In de eerste passage staat een ongedateerde opmerking over de heerserschappen van de Maan, de Zon en Saturnus; in de
tweede passage staat een eveneens ongedateerde opmerking over de overgang van het zevende millennium
in het achtste. Deze passages volgen dermate kort na elkaar, dat ze met
elkaar verband lijken te houden en wel zodanig, dat de conclusie kan
worden getrokken dat het aanbreken van het heerserschap van Saturnus,
genoemd
in de eerste passage, zal plaatsvinden bij de overgang van het zevende
millennium in het achtste, genoemd in de tweede passage.
Een
aantal Centurie-onderzoekers is van mening dat met het met elkaar
in verband brengen van deze passages in het Voorwoord aan César en het terugvoeren
ervan op min of meer
corresponderende passages in Livre de l'estat... een belangrijk
deel van de Centuriën is ontraadseld. Zij lijken niet stil te
staan bij het feit dat in de eerste passage in het Voorwoord aan César, in tegenstelling tot
de corresponderende passage op pagina 95 in deel 2 van Livre de
l'estat..., geen AM-jaartallen
(AM: Anno Mundi) staan. Volgens Livre de l'estat... breekt
het heerserschap van de Zon aan in 7086 en 8 maanden (7086 AM,
gerekend vanaf 5200 v.Chr.) om te eindigen in 7441 (7441 AM,
gerekend vanaf 5200 v.Chr.). Saturnus wordt volgens Livre de l'estat...
dus halverwege het achtste millennium heerser over het eerste Grote
Jaar van de vierde cyclus van Grote Jaren en niet bij de overgang van
het zevende millennium in het achtste, zoals het Voorwoord aan César
suggereert. De opmerking in het Voorwoord aan César over de overgang
van het zevende millennium in het achtste staat in Livre de l'estat...
in deel 3, waarin de cycli van 240 jaar, samenhangend met de verandering
van astrologisch element (vuur, aarde, lucht en water) van de Grote
Conjuncties van Jupiter en Saturnus worden besproken. De eerste cyclus
Grote Conjuncties is in 5200 v.Chr. begonnen, evenals het eerste Grote
Jaar in de eerste cyclus van Grote Jaren. Ten slotte moet worden
opgemerkt dat in Livre de l'estat..., in tegenstelling tot het
Voorwoord aan César, een voorbehoud wordt gemaakt bij het aanbreken van
het heerserschap van Saturnus in 7441 AM: dit heerserschap zal namelijk
niet aanbreken als de wereld ondertussen al ten einde is gelopen.
Het
feit dat in het Voorwoord aan César niet is vermeld in welke jaren het
heerserschap van de Zon en Saturnus begint, maakt een koppeling in het
Voorwoord aan César mogelijk tussen de overgang van het zevende
millennium in het achtste en het aanbreken van het heerserschap van
Saturnus. Deze koppeling strookt niet met het feit dat in Livre
de l'estat... het jaar 5200 v.Chr. is aangehouden als jaar waarin
de wereld is geschapen, waardoor de overgang van het zevende millennium
in het achtste in 1800 AD zal plaatsvinden en het aanbreken van het
vierde heerserschap van Saturnus in 2242 AD, halverwege het achtste
millennium. Dit kan betekenen dat degene die de onderhavige passages in
het Voorwoord aan César heeft geschreven, als hij Livre de l'estat...
bij het schrijven van deze passages geraadpleegd of geciteerd heeft, Livre
de l'estat... verkeerd begrepen heeft of bewust een eigen draai aan
deze teksten heeft gegeven.
Bij het samenstellen van de eerste bijbelse
chronogie zijn de twee passages in het Voorwoord aan César geïnterpreteerd als passages die met elkaar samenhangen.
|
Voorwoord aan César
(facsimile-Chomarat-2000, p.34)
|
Livre de
l'estat..., deel 2 (p.95)
|
|
Et
maintenãt que sommes conduicts par la Lune, moyennant la totale
puissance de Dieu eternel, qu'auant qu'elle aye paracheué son
total circuit, le Soleil viedra, & puis Saturne. Car selon
les figures celestes, le regne de Saturne sera de retour, que le
tout calculé, le mode s'approche, d'vne anaragonique reuolution
[...]
|
[...]
la Lune, qui
de present gouuerne, a pris le regne, qu'elle deburoit mener,
pour parfaire son cours ordinaire de troys cens cinquant quatre
ans quatre moys, iusques à l'an sept mil octante six ans &
huis moys: & le Souleil apres elle iusques à l'an sept mil
quatre cens quarante & vn: &, apres le Souleil, deburoit
aussi regner, pour la quatrieme foys, Saturne, si ce pendant le
Monde ne se terminoit ou prenoit sa fin
[...]
|
|
Voorwoord aan César
(facsimile-Chomarat-2000, p.35)
|
Livre de
l'estat..., deel 3 (p.139-140)
|
|
[...]
qu'encores que nous soyons au septiesme nombre de mille qui
paracheve le tout, nous approchat du huictiesme, où est le
firmament de la huictiesme sphere, qui est en dimension
latitudinaire, où le grand Dieu eternel viendra paracheuer la
reuolution: ou les images celestes retourneront à se mouuoir [...]
|
SCACHEZ
donques, amys lecteurs, que prochain est le royaume de Dieu:
c'est ascauoir au septieme miliaire, ou ia de present nous
sommes: auquel la huictieme Sphere (qui est le hault
altitudinaire Firmament,& la beaulté de Dieu) accomplira
vne reuolution: & les corps celestes, la ou ils ont
cõmencé à eulx mouuoir, retourneront, & cesseront.
|
De tweede
bijbelse chronologie: een kritische persiflage op de eerste bijbelse chronologie
In nummer 23 van de jaargang 1986 van het tijdschrift Réforme,
Humanisme et Renaissance is een artikel gepubliceerd van de Franse
historica Chantal Liaroutzos. In dit artikel, getiteld Les
Prophéties de Nostradamus: suivez la Guide! heeft zij aangetoond
dat een aantal geografische aanduidingen in centurie 09 uit de Guide des chemins de France (Charles
Estienne,
Parijs, 1553) overgenomen zijn. Het vermeld zijn van deze plaatsnamen in met name
kwatrijn 09-20, het "Varennes-kwatrijn" waarin volgens veel Centurie-onderzoekers
om te
beginnen Le Pelletier (1867), de arrestatie in 1791 van Louis XVI en zijn
echtgenote tot in detail is voorspeld, berust dus niet op mundane
astrologie, in tegenstelling tot opmerkingen in het Voorwoord aan César en de Brief aan Henri II dat met behulp van mundane astrologie is vastgesteld op welke
landen, regio's en steden de kwatrijnen betrekking hebben.[5]
Omdat het in een aantal gevallen om tamelijk kleine gehuchten gaat, is
bij mij het idee gerezen dat degene die verantwoordelijk is voor het
gebruik in de Centuriën van de Guide des chemins de France een grap heeft willen
uithalen door de geografische gedetailleerdheid van de voorspellingen in de
kwatrijnen tot in het absurde door te voeren. Een soortgelijke grap lijkt ten grondslag te liggen aan de opbouw van de tweede bijbelse
chronologie, die niet alleen een tweede tijdsleutel oplevert, maar ook
een kritische persiflage op de eerste bijbelse chronologie is.
Er zijn een aantal verschillen tussen de constructie van de eerste
bijbelse chronologie en die van de tweede. Aan de eerste bijbelse
chronologie kunnen verschillende bronnen ten grondslag hebben gelegen;
een aantal tijdgegevens in deze chronologie corresponderen met de Septuagint. Ook aan de tweede bijbelse chronologie
kunnen verschillende bronnen ten grondslag hebben gelegen, maar met uitzondering van de duur van de periode Tempel - Christus
kunnen de tijdgegevens in de tweede bijbelse chronologie stuk voor stuk terug worden gevoerd op de Vulgaat. Aan het slot van de
eerste bijbelse chronologie is het totaal aantal jaren dat deze
chronologie omvat, niet vermeld, ondanks het feit dat de opgegeven
tijdsduren tot een totaal leiden. Aan het slot van de
tweede bijbelse chronologie is wél een totaal vermeld (dat overigens
afwijkt van het totaal dat uit de opgegeven tijdsduren voortvloeit). Anders gezegd: de eerste bijbelse
chronologie heeft iets niet (een totaal) dat de tweede bijbelse chronologie wél
heeft. In het geval van de jaren na de geboorte van Christus is het
andersom, heeft de eerste bijbelse chronologie iets dat de tweede
bijbelse chronologie niet heeft. Aansluitend op de eerste bijbelse
chronologie is namelijk geschreven dat tussen de geboorte van Christus en de "verfoeilijke
verleiding der Sarazenen" of tewel de stichting van de Islam 621 jaar
verstreken zijn,
iets dat klopt met de hedendaagse geschiedschrijving. Vanaf 621 AD zou het gemakkelijk zijn na te gaan welke tijden
inmiddels geweest zijn en of de berekeningen juist zijn voor alle
landen.[6]
Aansluitend op de tweede bijbelse chronologie is opgemerkt dat
vanwege de "verscheidenheid der secten" de tijd tussen
Christus en de Brief aan Henri II niet is berekend. De vraag is wat de
oorzaak is van dit "wel-niet",
"niet-wel" spel. Het klopt immers niet dat in één en hetzelfde document, de
Brief aan Henri II, in fragment -a- het aantal jaren tussen de geboorte
van Christus en de stichting van de Islam is benoemd met de opmerking
dat vanaf dat jaar alle tijdberekeningen gemakkelijk kunnen worden
nagetrokken, terwijl in fragment -b-
om kennelijk zwaarwichtige redenen geweigerd is over de jaren na de geboorte van Christus
uitspraken te doen. Dit wijst op de mogelijkheid dat de
Brief aan Henri II niet het product van één auteur is, maar van
meerdere auteurs, waarbij de navolgende auteurs niet gestreefd
hebben naar een samenhangend, eenduidig document.
Naar aanleiding van onder andere het "wel-niet" -
"niet-wel" van gegevens veronderstel ik dat er in het geval
van de bijbelse chronologieën twee auteurs in het geding zijn. De
auteur van de tweede bijbelse chronologie heeft naar mijn mening tussen
de regels door op meerdere manieren een loopje genomen met de auteur van
de eerste bijbelse chronologie, en niet alleen door het "wel-niet"
- "niet-wel" spel. De eerste periode in de eerste bijbelse
chronologie wijkt af van de corresponderende periode in de Septuagint
(1242 jaar [mil deux cens quarante deux ans] in plaats van 2242
jaar [deux mil deux cens quarante deux ans]). Het is naar mijn mening geen toeval
dat in de eerste periode van de tweede bijbelse chronologie een
soortgelijke afwijking staat (1506 jaar [mil cinq cens & six ans] in
plaats van 1056 jaar [mil cinquante & six ans] zoals uit de Vulgaat
voortvloeit). Naar mijn mening is het eveneens geen toeval dat de
laatste periode in de tweede bijbelse chronologie (de periode Tempel -
Christus) even oncontroleerbaar is als de laatste periode (David -
Christus) in de eerste bijbelse chronologie, terzijde latend dat deze
periode in geen enkele bron afdoende is gedefinieerd. Ten slotte zou ik willen
opmerken dat het naar mijn mening eveneens geen toeval is dat, waar de
eerste bijbelse chronologie zich lijkt te laten staven door een kwatrijn
in de eerste helft van de eerste centurie, de
tweede bijbelse chronologie zich lijkt te laten staven door een kwatrijn
in de tweede, tevens laatste helft van de laatste
centurie.
De
aanwezigheid van een enkele zetfout in astrologische opsommingen in de
Brief aan Henri II
Goed beschouwd is
het merkwaardig dat in de bijbelse chronologieën zoveel afwijkingen
staan die als zetfouten ogen, terwijl in de astrologische opsommingen in
de Brief aan Henri II (planeetposities, retrogradatieperioden,
astrologische aspecten) slechts één astrologisch aspect (een aspect
tussen de Draconis, de Zon, Jupiter)
niet te staven valt aan efemeriden en alle andere astrologische gegevens
wel. Ik kan me eerder voorstellen dat een zetter zich vergist in het
zetten van een tekst met tal van occulte elementen dan dat hij zich
vergist in het zetten van de tekst van bijbelse chronologieën, die
niets anders zijn dan gewone opsommingen in gewone taal. Dit versterkt naar mijn mening
de veronderstelling dat het in het geval van de afwijkingen in de
bijbelse chronologieën niet om zetfouten gaat maar om bewust
aangebrachte veranderingen in brongegevens.
De
"andere heerschappij" van Saturnus, kwatrijn 10-74, de tweede bijbelse
chronologie en het Voorwoord aan César
Aan het einde
van de Brief aan Henri II wordt een periode van 25 jaar in het
vooruitzicht gesteld waarin de oorlogen erger zijn dan ooit. Door
toedoen van Satan zal zoveel onheil gesticht worden dat bijna de gehele
wereld gebroken en verwoest zal zijn. Daarna volgt een vernieuwing door
middel van "een andere heerschappij van Saturnus" en een
gouden tijdvak. God zal het bevel uitspreken waardoor Satan in de
afgrond der afgronden geworpen en geketend zal worden. Tussen God en de
mensen zal een algehele vrede aanvangen. De kerkelijke macht bereikt
haar hoogste punt ooit. Satan blijft gedurende ongeveer duizend jaar
geketend en komt daarna vrij.
De woorden "een andere heerschappij van Saturnus" (vng
autre regne de Saturne) corresponderen met de opmerking in het
Voorwoord aan César dat de heerschappij van Saturnus terugkeert. Het
woord "vernieuwing" (revolution) in dit gedeelte van de
Brief aan Henri II correspondeert met de aanduiding anaragonique
revolution in het Voorwoord aan César.
In dit gedeelte van de Brief aan Henri II staan een aantal opmerkingen
die terug kunnen worden gevoerd op de Openbaring van Johannes. De
gevangenneming en ketening van Satan is beschreven in Openbaring 20,2-3.
De "algehele vrede tussen God en de mensen" is als zodanig
niet beschreven in Openbaring; wel de periode van 1000 jaar waarin
degenen die omwille van hun getuigenis van Christus gestorven zijn, tot
leven zijn gewekt en met Hem regeren: het Duizendjarig Rijk (Openbaring
20,4-6), in de Brief aan Henri II aangeduid met "gouden
tijdvak". De vrijlating van Satan aan het einde van deze 1000 jaar
durende periode, is beschreven in Openbaring 20,7.
Het jaar waarin het
Duizendjarig Rijk begint, is in de Brief aan Henri II niet genoemd. In
kwatrijn 10-74 is gezinspeeld op de dood van het beest, de valse profeet
en hun aanhangers en op het tot leven gewekt worden van hen die omwille
van hun getuigenis van Christus gestorven zijn (Openbaring 19,20-21 en
Openbaring 20,4-6). Volgens de eerste regel van kwatrijn 10-74 vindt dit
alles plaats bij de overgang van het zevende millennium in het achtste.
Dit kan ingegeven zijn door de opmerking in het Voorwoord aan César
over de nadering van het achtste millennium. Volgens de tweede bijbelse
chronologie is de wereld in 4174 v.Chr. geschapen. Het is dan ook in
2827 AD dat het zevende millennium ten einde komt en het achtste
millennium, het Duizendjarig Rijk, begint, onder heerschappij van
Saturnus. Het achtste millennium eindigt in 3827 AD. Het jaartal 3797,
genoemd in het Voorwoord aan César, bevindt zich dan ook ongecodeerd en
wel in het achtste millennium.
Uit bovenstaande blijkt dat volgens het laatste deel van de Brief aan
Henri II en kwatrijn 10-74 de in het Voorwoord aan César aangekondigde
terugkeer van de heerschappij van Saturnus en de overgang van het
zevende millennium in het achtste met elkaar in verband zijn gebracht en
gedateerd zijn op 2827 AD. Het bestaan van de wereld vanaf de schepping
tot het aanbreken van het Duizendjarig Rijk is op 7000 jaar gesteld. De
tweede bijbelse chronologie fungeert als voorchristelijk deel van deze
periode. Volgens de tweede bijbelse chronologie duurt deze
voorchristelijke periode 4173 jaar en 8 maanden. Deze constructie bevat
geen elementen die terug kunnen worden gevoerd op de Grote Jaren, Grote Conjuncties van Jupiter
en Saturnus of andere cycli, beschreven in boeken als Livre de
l'estat..., maar slechts op "een ander heerserschap van
Saturnus".
Het
Duizendjarig Rijk en Livre de l'estat...
In Livre
de l'estat... zijn vier tijdstructuren beschreven: de schommeling van de
equinoxen, de Grote Jaren, de Grote Conjuncties van Jupiter en Saturnus
en de cycli van tien rondgangen van Saturnus. Voor al deze structuren geldt
dat zij in 5200 v.Chr. zijn begonnen. Drie van de vier cycli (de
schommeling van de equinoxen, de Grote Conjuncties van Jupiter en
Saturnus en de cycli van tien rondgangen van Saturnus) bestrijken in
totaal 7000 jaar; de drie cycli van Grote Jaren bestrijken in totaal
7441 jaar.
Volgens pagina 139 van Livre de l'estat... breekt Gods Koninkrijk
aan bij de overgang van het zevende millennium in het achtste. Roussat,
in navolging van Turrel, doelt hierbij niet op het aanbreken van het
Duizendjarig Rijk, maar op de nieuwe hemel, de nieuwe aarde en het nieuwe
Jeruzalem (Openbaring 21,1-2). Dit blijkt uit pagina 83 van Livre de
l'estat..., waar is opgemerkt:
Finablement,
à la quarte & derniere station dudict Firmament, qui est de sept
mil ans, auec la conionction des grandes,& pondereuses Planettes,
& permutation de triplicité precedante, expecto
resurrectionem mortuorum, & vitam venturi seculi.
De zin expecto
resurrectionem mortuorum & vitam venturi seculi is de laatste
zin van het Credo, de katholieke geloofsbelijdenis en betekent: ik
verwacht de opstanding van de doden en het leven van de toekomstige
wereld. De "opstanding van de doden" is niet de verrijzenis
van degenen die omwille van het getuigenis van Christus gestorven zijn
(de zogenaamde "Eerste Opstanding") maar de opstanding ten
tijde van het Laatste Oordeel (Openbaring 21,1-15), na de definitieve
ondergang van Satan en zijn volgelingen (Openbaring 20,7-11). In Livre
de l'estat... is dus niet gerekend met het Duizendjarig Rijk, in
tegenstelling tot de laatste voorspellingen in de Brief aan Henri II en
kwatrijn 10-74. In het Voorwoord aan César is eveneens niet met het
Duizendjarig Rijk gerekend; de aard van de "terugkerende
heerschappij van Saturnus" is niet nader omschreven.
De
eerste bijbelse chronologie versus kwatrijn 01-48
In het voorgaande
heb ik beschreven dat de eerste bijbelse chronologie naar mijn mening
het voorchristelijke deel vormt van een tijdstructuur waarin, uitgaande
van het jaar 2242 AD, de bestaansduur van de wereld op 7000 jaar is
gesteld en dat bepaalde tijdgegevens, afkomstig uit bronnen als de
Septuagint, bewerkt zijn om deze structuur sluitend te krijgen.
In kwatrijn 01-48 is het getal 7000 als volgt vermeld:
Vingt
ans du regne de la lune passés,
Sept mil ans autre
tiendra sa monarchie:
Quand le soleil prendra ses iours lassés
Lors accomplir & mine ma prophetie
Op deze
website heb ik over de betekenis van de tweede regel van dit
kwatrijn geschreven dat hierin is gezinspeeld op het zevenduizend jaar
durend heerserschap van Satan over de aarde, een heerserschap waaraan
een einde zou komen bij het begin van het Duizendjarig Rijk.[7]
Brind'Amour heeft de eerste regel van dit kwatrijn uitgelegd als een
verwijzing naar de Maan in haar hoedanigheid van Heerser over een Groot
Jaar. Volgens deze uitleg was dit heerserschap al twintig jaar gaande.
In Livre de l'estat... is over het voorafgaande heerserschap van
Mars aangetekend dat dit heerserschap, uitgaande van een tijdstructuur,
aangehouden door ene Iacques de Bourgogne, tot 13 jaar en 8 maanden voor
het jaar 1548 liep. Volgens de door Eusebius van Caesarea aangehouden
tijdstructuur (deze ging ervan uit dat de wereld in 5200 v.Chr. was
geschapen) zou het heerserschap van Mars tot 15 jaar en 8 maanden voor
het jaar 1548 hebben gelopen. Het heerserschap van de Maan zou dus
omstreeks 1535 zijn begonnen en in het jaar 7086 AM ten einde komen.
Brind'Amour was dan ook van mening dat in de tweede regel werd
aangegeven dat het Heerserschap van de Maan, genoemd in de eerste regel,
tot voorbij (fr: outre) het jaar 7000 AM (Sept mil ans) zou
lopen.[8]
Aan kwatrijn 01-48 ligt de structuur van Grote Jaren ten grondslag, die
volgens Livre de l'estat... met de schepping van de wereld in
5200 v.Chr. is begonnen. Volgens de tijdstructuur waarvan de eerste bijbelse chronologie het
voorchristelijk deel vormt, is de wereld geschapen in 4757 / 4758 v.Chr.
In deze structuur zou, omgerekend in AM-jaren, het heerserschap van de
Maan waarop in kwatrijn 01-48 wordt gezinspeeld, van ongeveer 6292 AM
tot ongeveer 6646 AM lopen en niet voorbij het jaar 7000 AM komen,
terwijl dit volgens kwatrijn 01-48 wel het geval zou zijn.
De onderliggende tijdstructuur van kwatrijn 01-48, te weten de structuur
van Grote Jaren, is een andere dan die
van de eerste bijbelse chronologie. Tussen deze structuren bestaat geen
rekenkundig verband. Ze liggen niet in het verlengde van elkaar. Een
dergelijke uiteenlopendheid wijst er naar mijn mening op dat er
verschillende auteurs in het geding zijn geweest. Degene die in het Voorwoord
aan César en in kwatrijn 01-48 elementen heeft verwerkt die terug
kunnen worden gevoerd op Livre de l'estat... is niet degene
geweest die de eerste bijbelse chronologie heeft samengesteld. De
samensteller van de eerste bijbelse chronologie heeft de passages in het Voorwoord aan César
over het naderend Heerserschap van Saturnus en het naderend achtste
millennium aan elkaar gekoppeld en er een tijdstructuur van 7000 jaar
aan opgehangen, uitgaande van het jaar 2242 AD, zonder zich rekenschap
te geven van wat in Livre de l'estat... over de Grote Jaren en de tijdstructuren van 7000
jaar is geschreven en zonder het AM-jaartal en het daaruit
voortvloeiende AD-jaartal te berekenen waarin volgens kwatrijn 01-48 de
Maan wordt opgevolgd door de Zon als Heerser over een Groot Jaar.
Samenvatting
en conclusie
De twee bijbelse
chronologieën fungeren, elk op hun eigen manier, als bijbelse
onderbouwing van een periode van 7000 jaar, die begint met de schepping
van de wereld. Deze perioden van 7000 jaar zijn ontleend aan een
opmerking in het Voorwoord aan César over de overgang van het zevende
millennium in het achtste. Deze overgang valt samen, zo laat het
Voorwoord aan César zich interpreteren, met de terugkerende
heerschappij van Saturnus. De bijbelse chronologieën houden verschillende
jaren aan waarin wereld is geschapen, jaren die niet
teruggevoerd kunnen worden op Livre de l'estat..., waarin het
jaar 5200 v.Chr. als scheppingsjaar is aangehouden.
De verschillen tussen de eerste en de tweede bijbelse chronologie laten
zich naar mijn mening verklaren door het idee dat er twee auteurs in
het geding zijn, waarbij de auteur van de tweede bijbelse chronologie er niet naar
heeft gestreefd het geheel van de Centuriën tot een consistent,
eenduidig iets te maken. De auteur van de tweede bijbelse chronologie
heeft de nodige grappen uitgehaald door, vergeleken
met de eerste bijbelse chronologie, op overeenkomstige plaatsen
afwijkingen en vaagheden in te lassen die als zetfouten ogen, zaken te
vermelden die in de eerste bijbelse chronologie niet vermeld zijn en
zaken níet te vermelden die in de eerste bijbelse chronologie wél
vermeld zijn. Gewild of ongewild heeft hij tegenstellingen en
strijdigheden gecreëerd en voorspellingen die door zijn tekstbijdragen
ontkracht werden, niet verwijderd of er in overeenstemming mee gebracht.
In zijn brief over Nostradamus, gepubliceerd op deze website, heeft de
Franse Centurie-onderzoeker dr. Jacques Halbronn gesteld dat de Centuriën
zoals wij die vandaag de dag kennen, het resultaat zijn van
opeenvolgende vervalsingen.[9] Bij een dergelijke gang van zaken is er sprake van verschillende
teksten, afkomstig van meerdere auteurs, die over elkaar heen gelegd
zijn zoals in een schilderij verschillende lagen verf over
elkaar heen zijn aangebracht. Het komt mij voor dat de twee bijbelse
chronologieën en de daarmee verwante zaken hiervan een duidelijk voorbeeld
zijn, waarbij kan worden aangetekend dat degene die de eerste bijbelse
chronologie heeft samengesteld niet degene is geweest die in het
Voorwoord aan César en in kwatrijn 01-48 elementen heeft
verwerkt, afkomstig uit de Grote Jaren.
De
Meern, 13 december 2010
T.W.M.
van Berkel
bijgewerkt op 2 januari 2011
Noten
-
Van
Berkel, p.15-28. Zie ook: Van Berkel: Het
millenniummodel, Tijdschema's,
De
Brief aan Henri II: de tweede bijbelse chronologie, kwatrijn
03-56 en kwatrijn 10-74. [tekst]
-
Lenoble:
Nostradamus et
l'éclipse du 11 aôut 1999; Guinard:
La lettre de
Nostradamus à César (transcription, traduction, explication)
en Le monde
s'approche de bouleversements majeurs (2065/2066) suivis d'une
anaragonique révolution (2242/2243). Voorzover ik weet was
prof. Pierre Rodrigue Brind'Amour de eerste Centurie-onderzoeker
die een verband legde tussen het Voorwoord aan César, Livre de
l'estat... en kwatrijn 01-48 (Brind'Amour 1993a, p.187-197). [tekst]
-
Brind'Amour
1993a, p.171-177. [tekst]
-
Van
Berkel: De Brief aan
Henri II: de eerste bijbelse chronologie; De
Brief aan Henri II: de tweede bijbelse chronologie; De
Brief aan Henri II: de samenstelling van de bijbelse chronologieën.
[tekst]
-
Op 27 maart
2009 heeft Liaroutzos in het Maison de la
Recherche en Sciences Humaines in Caen een lezing over dit onderwerp
gegeven, getiteld: Nostradamus réécrit les guides routiers. [tekst]
-
In
de Brief aan Henri II is niet aangegeven hoe men de berekeningen
vanaf 621 AD zou moeten natrekken. Misschien ligt de
"eenvoudige sleutel" in het optellen van 621 jaar bij 621
AD. Dan ontstaat het jaar 1242 AD, het jaar waarin volgens het model
van 7000 jaar waarvan de eerste bijbelse chronologie deel uitmaakt,
het zevende millennium begint. Volgens dit model eindigt het zevende
millennium in 2242 AD. [tekst]
-
Van
Berkel: kwatrijn 01-48. [tekst]
-
Brind'Amour 1993a, p.118-119; Brind'Amour 1996, p.193-194;
Roussat, p.95. [tekst]
-
Dr.
J. Halbronn: Brief over
Nostradamus (17 juli 2003). [tekst]
|