|
Commentaar
van Van Berkel
Brontekst:
facsimile-Chomarat-2000
Dans Fois entrez Roy
ceiulee Turbao,
Et regnera moins reuolu Saturne,
Roy Turban blanc Bizance coeur ban,
Sol,Mars,Mercure pres la hurne.
Vertaling
(Van Berkel, 2002)
In Foix treedt een koning met een hemelsblauwe tulband binnen
En hij zal regeren korter dan een rondloop van Saturnus.
Een koning met witte tulband en Byzantium met het hart van de heirban.
De Zon, Mars en Mercurius zijn samen dichtbij de Urn.
Van
Berkel rekent dit kwatrijn tot de uurhoekkwatrijnen.
Nostradamus
schrijft in de kwatrijnen 06-52, 09-73 en 10-50 over de "Urn". Deze naam
heeft betrekking op een sterrenbeeld, maar komt
niet voor in de lijsten van sterrenbeelden zoals
samengesteld door bijvoorbeeld Claudius Ptolemeus of Richard Roussat. In
kwatrijn 09-73 schuilt het antwoord op de vraag om welk sterrenbeeld het
gaat.
In
1594 publiceerde De Chavigny, de secretaris van Nostradamus, commentaren op de Présages,
de politieke maandvoorspellingen van Nostradamus. In de Présage voor
juni 1555 stond in de eerste regel: Ver dichtbij de Urn draait de
booswicht zich naar achteren. De Chavigny
legde een verband tussen deze regel en kwatrijn
06-02. In de eerste regel van
dat kwatrijn had Nostradamus geschreven: Ongeveer in het jaar
580... Volgens De Chavigny bedoelde Nostradamus de periode
1580-1581. In die jaren liep Saturnus, die in de astrologie een malefic
is (booswicht), door het teken Waterman. Dit teken wordt vaak afgebeeld
als een mens, die een kruik water over de aarde uitgiet. Volgens De Chavigny
is de naam "Urn" een synoniem voor het teken
Waterman. Kwatrijn 06-02 zou betrekking hebben op de periode rond 1585,
die voor Frankrijk rumoerig verliep.
Deze interpretatie klopt niet. Nostradamus heeft de Présages
geschreven als zijnde maandvoorspellingen, niet als zijnde
voorspellingen die pas na in dit geval 30 jaar zouden uitkomen. De
eerste regel van de Présage
voor juni 1555 heeft betrekking op juni 1555, niet op een andere
maand.
In
juni 1555 stond Saturnus niet in Waterman, maar in Ram. Mars, de andere
"booswicht" in de astrologie, stond op de 23e graad
Maagd, in samenstand met de Vaste Ster Labrum op de 21e graad
Maagd. Deze Ster maakt deel uit van het sterrenbeeld Crater, een
Grieks/Latijnse naam die "beker" betekent of
"oliekruik". Dit sterrenbeeld was bekend bij Ptolemeus en
wordt ook genoemd door Richard Roussat.[1]
In de tijd van
Nostradamus strekte het sterrenbeeld Crater zich uit van de 8e
tot de 25e graad Maagd.
In de eerste regel van kwatrijn 09-73 staat dat de Zon, Mars en
Mercurius dichtbij de "Urn" staan. Dit betekent dat ze
dichtbij de 8e graad Maagd staan, het begin van het
sterrenbeeld Crater.
In het onderzoek dat ten grondslag ligt aan Nostradamus,
astrologie
en de Bijbel, is
vastgesteld dat de planeetposities die in de kwatrijnen staan, zich voor
hebben gedaan tussen 16 oktober 1524 en 11 oktober 1553. In deze
periode, die de "voorstellingenperiode" is genoemd, is er
slechts één keer sprake van de samenstand van Zon, Mars en Mercurius
dichtbij het begin van het sterrenbeeld Crater. Dit was op 18 augustus
1530. De Zon stond toen op de 4e graad Maagd, Mars op de 5e
graad Maagd en Mercurius, die retrograde liep, op de 6e
graad Maagd. In het onderzoek is vastgesteld dat kwatrijn 09-73 is
geschreven omstreeks 18 augustus 1530 en dat de vervullingdatum 4
oktober 2006 is, Gregoriaanse kalender.
In
kwatrijn 06-52 staat in de vierde regel: de Zon in de Urn. Dit
wijst op de gang van de Zon door de graden van het sterrenbeeld Crater
(de 8e t/m de 25e graad Maagd). Deze aanwijzing levert niet het jaar op
waarin dit kwatrijn is geschreven, maar wel dat dit tussen 22 augustus
en 12 september is geweest in één van de jaren tussen 1525 en 1553.
In kwatrijn 10-50 staat in de tweede regel: zal ontdekken Saturnus en
drie in de Urn. Deze aanwijzing is niet concreet genoeg om vast te
stellen wanneer dit kwatrijn is geschreven.
Brind'Amour en Leoni tekenen bij de woorden "de Urn"
aan dat hiermee een stand van Saturnus in Waterman wordt bedoeld. Zij
refereren niet aan De Chavigny.[2]
De
Meern, 15 februari 2004
T.W.M. van Berkel
Noten
1. Roussat, p.72. Voor Ptolemeus: zie Robson, p.41.
[tekst]
2. Brind'Amour 1996, p.311-312; Leoni, p.456-457. [tekst]
|