|
Op
20 oktober 2007 heeft dr. Jacques Halbronn aan de
Sorbonne-universiteit in Parijs een postdoctorale scriptie
verdedigd,
getiteld Le Dominicain Giffré de Réchac (1604-1660) et la naissance de
la critique nostradamique, au XVIIe siècle, waarin hij de geschiedenis van de nostradamieke kritiek aan de
orde stelt. Giffré
de Réchac is de werkelijke auteur van Eclaircissement des
Véritables Quatrains, anoniem gepubliceerd in 1656 en 1657
en meestal toegeschreven aan een zekere Estienne Jaubert.
In zijn Brief over
Nostradamus (17 juli 2003) heeft Halbronn de lezers van www.nostradamusresearch.org
de aard van zijn onderzoek naar Nostradamus en de Centuriën
toegelicht en sommige van zijn bevindingen, beschreven in
bijvoorbeeld zijn proefschrift Le
texte prophétique en France. Formation et fortune en
zijn artikelen op Espace
Nostradamus.
Op uitnodiging van www.nostradamusresearch.org heeft
Halbronn op 26 mei 2007 een bijdrage geschreven waarin hij een samenvatting
geeft van zijn postdoctorale scriptie. In deze bijdrage staat
hij stil bij de ontwikkelingen en bevindingen in zijn onderzoek
naar Nostradamus en de Centuriën die zich in de
afgelopen jaren hebben voorgedaan.
De artikelen over Nostradamus en de Centuriën
die Halbronn heeft geschreven zijn in de periode 2001-2004 gepubliceerd op Robert Benazra's
Espace
Nostradamus.
Ook in de rubriek Nostradamica
van de website CURA van
dr. Patrice Guinard staan artikelen van Halbronn. Sinds 2005
publiceert Halbronn zijn artikelen in de rubriek Estudes
Nostradamiennes van zijn eigen website Grande
Conjonction.
T.W.M.
van Berkel
|
Aan
de vooravond van de verdediging aan de Sorbonne Universiteit van een postdoctorale
scriptie over de geschiedenis van de nostradamieke
kritiek, getiteld "Le Dominicain Giffré de Réchac et la naissance
de la critique nostradamique au XVIIe siècle", heeft Theo van Berkel mij gevraagd de stand van zaken van mijn
onderzoek te beschrijven.
In
mijn proefschrift "Le texte Prophetique en France. Formation et
Fortune", dat dateert uit 1999, heb ik het merkwaardige feit
onderstreept dat bij Antoine Crespin de kwatrijnen die deel uitmaken van
de vijfde, zesde en zevende Centurie niet voorkomen in zijn
"Prophéties", waarin materiaal staat dat ook gevonden kan
worden in de andere Centuriën. In 2002 werd deze
inventarisatie bevestigd door Robert Benazra, de uitgever van mijn
"Documents inexploités sur le phénoméne Nostradamus".
Tussen 2002 en 2007 hebben mijn ideeën zich aanzienlijk ontwikkeld en
ben ik tot de conclusie gekomen dat Crespin in "Prophéties
dédiées à la puissance divine & à la nation française"
(1572) in het geheel geen gebruik heeft gemaakt van Centuriën, maar dat men
bij het samenstellen van de Centuriën materiaal heeft ontleend aan de
teksten van Crespin. Dit was derhalve een nieuw gezichtspunt op wat ik
het neonostradamisme heb genoemd als belangrijkste samenstellende kracht
achter het "corpus centurique". Ik heb gesignaleerd dat de
regel "Roy de Bloys en Avignon régner" (die in twee
kwatrijnen voorkomt) afkomstig was uit een ander pamflet van Crespin
(zie mijn studie Roy
de Bloys en Avignon regner - The Centuries and the Avignon context of
the years 1560-1570).
Een andere klip werd omzeild toen ik recentelijk de plaats
verduidelijkte die moet worden toegekend aan het pseudo-nostradamisme
bij het ordenen van geantedateerde edities van de Centuriën. De
vervalsers hebben echte en valse Almanachs en Pronostications van
Nostradamus uit de periode 1550-1560 door elkaar gemengd en - per
ongeluk - de vignetten van valse Almanachs gebruikt voor de versiering
van hun edities van de Centuriën. Het is waar dat deze vignetten op
elkaar lijken, het zijn immers imitaties.
Verder denk ik dat Nostradamus niet alleen niet de auteur is van de
kwatrijnen in de Centuriën, maar ook niet de auteur van de kwatrijnen in
zijn Almanachs. De versificatie van voorspellingen door een andere
auteur was een praktijk van alledag. Het is dan ook opnieuw bij
vergissing dat men heeft geloofd Nostradamus te kunnen imiteren door
onder zijn naam kwatrijnen te produceren.
Om
de zaak van de nostradamieke "vignetten" te illustreren laat
ik u een paar voorbeelden zien. Volgens mij hebben de vignetten,
verschenen in 1555 in een Franse vertaling van de "Bucoliques"
van Vergilius (figuur 1), uitgegeven door de Fransman L'Angelier, vrijwel zeker als model gediend voor het vignet van de
Pronostications van Nostradamus vanaf de jaren 1550 (figuur 2). Men heeft de figuur
die erop is afgebeeld van een baard voorzien en in het venster werden sterren getekend. De vervalsers uit 1560 - in de kringen van Barbe
Regnault - hebben de schrijfplank waarop deze figuur werkte,
weggevlakt (figuur 3) en het is de versie zonder schrijfplank die in de jaren
1590 bij vergissing is gekozen om er de geantedateerde
edities-Bonhomme-1555 en DuRosne-1557 van de Centuriën mee te
produceren (figuur 4). In het vignet in de Vergilius-uitgave is een gedeelte van
het papier van de schrijver blank, terwijl dit papier in de twee
Nostradamus-vignetten geheel beschreven is, wat totaal verkeerd is. Dit
betekent dat het valse vignet was afgeleid van het origineel en niet van
een alledaagse bron. De vignetten in de Vergilius-uitgave zijn afgeleid
van vignetten in de "Shepherd's Kalendar".
 |
 |
Figuur
1
Uitsnede
omslag Vergilius-1555 |
Figuur
2
Uitsnede
omslag Pronostication 1558 - Le Noir |
 |
 |
Figuur
3
Uitsnede
omslag Pronostication 1562 - Regnault |
Figuur
4
Uitsnede
omslag Prophéties - DuRosne-1557 |
Tot
welke conclusies ben ik gekomen? Ik denk dat de Centuriën verschenen
zijn in de loop van de jaren 1580, waarschijnlijk rond 1584, en dat zij
in de jaren nadien aanzienlijk zijn ontwikkeld, vooral Centurie 07, die
scherp is getekend door de verwikkelingen in de tijd van de Ligue. Ik
denk hierbij in het bijzonder aan kwatrijn 07-24, waarin de naam "Marquis
du Pont" staat, dat wil zeggen de zoon van de hertog van Lorraine,
die men volkomen anachronistisch kan terugvinden in de geantedateerde
edities-1557.
Noch
de onderzoeken van Patrice Guinard (Corpus Nostradamus, site CURA) noch
de recente verkoop van de collectie-Ruzo zijn in staat geweest mijn
conclusies wat betreft het belang van vervalsingen van allerlei aard op
het gebied van de nostradamiek en de Centuriën te betwisten. Het valt niet te ontkennen dat de vervalsers beschikten over
bibliotheken en archieven van decennia terug, maar ze hebben er geen
handig gebruik van gemaakt terwijl zij verdwaalden in het labyrinth van
de nostradamieke, de pseudo-nostrdamieke, de neo-nostradamieke en zelfs
de anti-nostradamieke productie. In veel gevallen zijn de vervalsingen
goed gedocumenteerd en bevatten zij oude titels, in het bijzonder die
van "Prophéties", maar zij hebben ze voorzien van een totaal
andere inhoud. Bovendien zijn authentieke en bewijzende teksten
geretoucheerd, waardoor onderzoekers die er te veel op gebrand zijn het
"corpus nostradamique" te valideren, op een dwaalspoor kunnen
worden gebracht.
Over
het onderzoek naar de bronnen van bepaalde kwatrijnen, uitgevoerd door
Peter Lemesurier, Pierre Brind'Amour, Patrice Guinard, Roger Prevost of
Adrien Delcour, kan worden gezegd dat hieruit vooral is gebleken dat de
inhoud van de Centurieteksten niet profetisch is maar het resultaat
van een vervalsing, uitgaande van uiteenlopende teksten, en van meet af
aan geen enkel profetisch karakter heeft gehad, zoals bleek uit het
geval van het gebruik van reisgidsen, een twintigtal jaren geleden
briljant aangetoond door Chantal Liaroutzos. Op die manier heeft men
teksten van diverse auteurs geplagieerd om er een vals Nostradamus-werk
mee te maken terwijl men kwatrijnen imiteerde die hij niet eens had
geschreven. Deze werkwijze is welbekend en heeft tot meerdere producties
geleid, zoals in de laatste jaren van de XIXe eeuw de "Protocoles des Sages de Sion",
waarin een pamflet, geschreven door Maurice Joly - zonder verwijzingen
naar de Joden - en gepubliceerd ten tijde van Napoleon III, werd herzien
en ondergebracht in een volledig andere context (vgl. mijn "Le
sionisme et ses avatars au tournant du XXe siècle, Ramkat, 2002, door Robert Benazra
aansluitend uitgegeven op mijn "Documents
inexploités sur le phénoméne Nostradamus).
In elk geval, de Centuriën lijken een collectieve creatie te zijn,
ontstaan in een aantal decennia, en niet het werk van één enkele
persoon.
Parijs,
26 mei 2007
Dr.
Jacques Halbronn
|