|
Dr.
Jacques Halbronn is geboren in Parijs op 1 december 1947. Hij
heeft een grondige kennis van astrologie en profetische
geschriften. Eén van zijn studies had de geschiedenis van
profetie in Frankrijk als onderwerp. De titel van het hierover
gepubliceerde proefschrift luidt Le
texte prophétique en France.
Formation et
fortune.
Eén van de belangrijkste kenmerken van het onderzoeksproject
van Halbronn is een strenge, kritische beoordeling
van de authenticiteit van publicaties die aan Nostradamus worden
toegeschreven. In plaats van gangbare ideeën zonder slag of
stoot over te nemen en de betekenis van kwatrijnen te
doorgronden, onderzoekt Halbronn de literaire, astrologische
en socioculturele bronnen van de Centuriën, de brief aan
César en de brief aan Henri II. Zijn onderzoek leidt tot
verbijsterende resultaten die het onderwerp zijn van
internationale discussie.
Desgevraagd geeft Halbronn op deze site op een begrijpelijke, begeesterende manier,
zonder enige terughoudendheid, inzicht in het doel en de aard van zijn onderzoek.
T.W.M.
van Berkel
|
Geachte
heer,
U
vraagt mij om mijn benadering van het fenomeen Nostradamus te
beschrijven voor uw Nederlandstalige en Engelstalige lezers. Het is een
goed moment om dat te doen, na de studie, waaraan u hebt meegewerkt,
over de vervalsing Les
Significations de l'Eclipse de 1559, die de meest vroege verwijzing
naar de Centuriën
bevat.
Op
de 500e verjaardag van deze schrijver is het goed om in zijn biografie
die activiteiten te schrappen die niet de zijne waren, zoals het
uitgegeven hebben van een of ander deel van de Centuriën in een
of ander jaar. Op de meeste andere gebieden hebben teksthistorici de historische
waarheid hersteld en het lijkt alsof er in het geval Nostradamus enige
vertraging is geweest, zoals voor esoterie in het algemeen heeft
gegolden, te beginnen
met astrologie. Maar het lijkt erop dat dit verandert en dat mensen
zich niet beperken tot het beschermen van een zekere nostradamische of
astrologische canon (gelet op het feit dat uzelf ook in astrologie bent
geïnteresseerd).
Wat
belangrijk is, geachte heer, is de vaardigheid om argumentatie te
volgen, te ontwikkelen en kritisch te bezien, en de
reeds verworven observaties niet te negeren. Zij die staande houden
dat zij hun visie niet zullen veranderen tot het moment waarop hen een
beslissend, onweerlegbaar bewijs wordt overhandigd, weten zij waarover
zij het hebben? Want wat is een vervalsing anders dan een vervalst
bewijs? Ironisch gezien, voor sommige nostradamologen die pretenderen zich op
"feiten" te baseren en niet in
staat zijn argumenten te volgen, lijkt het dat eerst een brief van Michel
de Nostredame moet worden gevonden waarin hij meedeelt dat hij niet de
schrijver is van de Centuriën die hem worden
toegeschreven! Op
wetenschappelijk niveau is niets 100% zeker en is er niets dan
waarschijnlijkheden en veronderstellingen, die gebaseerd zijn op een reeks
aanwijzingen die deze of die kant uitgaan. Zij die niet in staat
zijn chronologische argumenten ten gunste van een stelling te overwegen,
diskwalificeren zichzelf en brengen zichzelf in diskrediet. De meeste
onderzoekers schijnen niet in staat te zijn om een zin of een kwatrijn
te verbinden met een historische context in de tijd van Nostradamus of
de tijd erna en stemmen onderling slechts overeen omdat zij zich
lafhartig vastklampen aan de jaren, vermeld op titelpagina's, hetgeen in
onderzoek van nul en generlei waarde is.
Wij
hebben een aantal criteria uitgewerkt in:
Dit
alles voegt op een bepaalde manier een kritisch commentaar toe aan de
bibliografieën van M. Chomarat en R. Benazra, zoals het commentaar van
Kepler dat doet in antwoord op Tycho Brahé. Men kan niet langer een
chronologische bibliografie van de nostradamische werken samenstellen
zonder deze criteria te overwegen. Het noemen van een bepaald jaar dat op de
titelpagina staat of aan het eind van een boek, is slechts één van de vele
gegevens. Door zich alleen daarop te baseren, is zo'n studie epistemologisch gezien
achterhaald.
Wij
merken dat in feite weinig mensen in de omstandigheid verkeren niet
verdwaald te raken in het nostradamische labyrint en het ware kunnen
onderscheiden van het
niet-ware, maar dat geldt voor alle onderzoeksgebieden.
Dit doet denken aan wat wordt gezegd over de Kabala, een gebied dat vrij
gevaarlijk is om te betreden en zeer moeilijk is om te verlaten. Zonder een
strikte methodologie verdwaalt de onderzoeker en praat hij uiteindelijk
volslagen nonsens, tenzij hij zich wanhopig vastklemt aan de gegevens
die hem door vervalsers worden voorgehouden. Hierdoor wordt zo'n
onderzoeker een medeplichtige van hen die de naam van Nostradamus in
hun eigen politieke belang wilden gebruiken door het schrijven van teksten onder zijn naam,
die verondersteld worden te zijn uitgegeven tijdens zijn
leven. In elk geval,
het bestuderen van Italiaanse, Duitse en Engelse vertalingen van Almanachs en
Pronostications is van belangrijke waarde.
De vervalsers hadden zeker niet verwacht dat hun geniepige trucjes weerstand konden
bieden aan eeuwenlang wetenschappelijk onderzoek, omdat zij zich niet
konden voorstellen dat sommige van de authentieke documenten zouden
verdwijnen en dat in tenminste een aantal gevallen valse documenten
overbleven.
Het
nostradamische gebied is op zijn zachtst gezegd vol van eindeloze
reeksen hindernissen en valkuilen. Eén van de moeilijkheden is dat men denkt in een profetisch veld te
verkeren, waardoor men a-priori wordt verhinderd kritische kanttekeningen te
plaatsen, gebaseerd op eigentijds bewijs. Een andere moeilijkheid wordt
veroorzaakt door het feit dat sommige stukken van de puzzel ontbreken,
wat tot gevolg heeft dat men niet anders kan dan reconstrueren.
Weer een andere moeilijkheid houdt verband met de productie van valse
documenten, die soms zijn uitgegeven ter vervanging van documenten
die schijnen te ontbreken.
In
sommige gevallen is er een kruising tussen het originele document en
het valse. Het meest in het oog springende geval is dat van de Brief aan
Henri II, waarvan de originele versie bekend is, die is geplaatst aan
het begin van de Présages Merveilleux
pour 1557 en in facsimile afgedrukt in Documents Inexploités sur le phénomène
Nostradamus (Feyzin,
uitg. Ramkat, 2002). Het is onbegrijpelijk dat Nostradamus in zo'n kort
tijdsbestek een nieuwe brief aan de Franse koning heeft geschreven
waarbij hij aan dezelfde context refereert, zodat hij zichzelf
plagieert.
Een
andere kruising,
waarop wij al hebben gezinspeeld, is Les Significations de l'Eclipse
de 1559, verondersteld te zijn geschreven rond dezelfde datum als
de "nieuwe" brief aan Henri II, die aan het begin van een
aantal centuriën staat. Recentelijk is komen vast te staan dat deze Significations
tegenstrijdige bronnen bevatten, waardoor het duidelijk onmogelijk is
dat Michel de Nostredame de schrijver is.
Het
was voor ons essentieel om de referentie van de pseudo-brief aan Henri
II wat betreft het bestaan van 1000 kwatrijnen letterlijk te nemen, en
de waarde van deze brief wordt niet aangetast doordat het een valse
tekst is. Integendeel, de tekst is precies zó gemodelleerd om te
voldoen aan de bedoelingen van de vervalser. Er wordt een "milliade"
in genoemd, een duizendtal, en wij denken dat de Centuriën
oorspronkelijk
inderdaad compleet waren, dat wil zeggen elk bestaande uit 100
kwatrijnen. Door dit te stellen, schrijven we ze niet to aan Michel de
Nostredame maar aan de vervalsers,
maar het maakt het gemakkelijker om hun werk te begrijpen. Op dezelfde
manier is het niet zo dat het getuigenis van Crespin geen waarde heeft
omdat hij een vervalser was en een bedrieger en het is niet toevallig
dat zijn ontleningen in 1572 aan de Centuriën - Michel de
Nostredame overleed in 1566 - volgens de nummering van de
nostradamische canon geen enkele van de kwatrijnen uit de centuriën V, VI en VII
bevatten.
Dit
betekent dat er verscheidene generaties vervalsers zijn en dat na een
generatie, die complete centuriën publiceerde, een andere generatie
kwam, die kwatrijnen wegliet en edities uitgaven waarin incomplete centuriën stonden, met name
centurie VII die in de bekende edities
nooit ook maar 50 kwatrijnen bevat. Vanaf die tijd zijn edities,
daterend van 1557, in meer dan één opzicht verdacht, inclusief de
editie die in het bezit is van de Universiteitsbibliotheek van Utrecht,
dicht bij uw woonplaats.
In
feite veroorzaken deze edities, gepresenteerd als zijnde uitgegeven door
Antoine du Rosne in Lyon in 1557, een aantal problemen. Aan de ene kant
worden teksten toegedicht aan Michel de Nostredame die de zijne niet
zijn, aan de andere kant verwoest men de arbeid van de
"eerste" vervalsers, die complete posthume centuriën hebben
gepubliceerd die in het begin 7 in getal waren, zoals Crespin aangeeft.
Daarom zijn de edities die zijn gedateerd in 1557, waarin centurie VI 99
kwatrijnen bevat en centurie VII 40 of 42 kwatrijnen, in veel opzichten
discutabel. In het geval van de Macé Bonhomme editie, daterend uit
1555, met 53 kwatrijnen in centurie IV, zien we hetzelfde: een
incomplete centurie en daarom een discutabele toedichting aan het eerste
posthume werk.
Men
moet begrijpen dat het onechte werd gemaakt met het echte: het is waar
dat Michel de Nostredame kwatrijnen heeft geschreven, maar dat waren de
kwatrijnen in zijn almanakken, in feite lijken een aantal kwatrijnen in
de Centuriën te zijn gefabriceerd vanuit de
Almanachs, wat de beste
manier is om de stijl van Nostradamus te handhaven. Het is waar dat hij
een brief heeft geschreven aan zijn zoon César, maar dat was geen brief
aan het begin van de Centuriën, maar aan het begin van de Prophéties Perpétuelles. Het
voordeel van deze stellingen is dat het mogelijk wordt zich te baseren
op de getuigenissen van mensen als Antoine Couillard of Laurent Videl,
die andere dingen aan de orde stellen dan de dingen die wij worden
geacht te geloven.
In
deze hele geschiedenis is nog het meest droevige dat de bibliografische
ontdekkingen van de afgelopen twintig jaar, waardoor het mogelijk werd
edities te ontrafelen en te publiceren die dateerden uit 1555 en 1557,
het nostradamisch onderzoek eerder hebben geblokkeerd dan bevorderd. In
plaats van meer duidelijkheid te verschaffen, nam door deze ontdekkingen
de verwarring toe; de meeste onderzoekers verzetten zich tegen het idee
dat deze edities verlate vervalsingen waren van de tweede generatie
vervalsers (na 1585) en de eerste generatie (na 1566).
Men
moet begrijpen dat deze onderzoeken de profetische kwaliteit van de
centuriën niet noodzakelijkerwijs aantasten, gerekend vanaf op zijn
vroegst het midden van de 17e eeuw, waardoor de eerste 100 jaar na het
overlijden van Michel de Nostredame worden uitgesloten. Niets weerhoudt
het idee dat de vervalsers, soms profeten tegen wil en dank, profetische
kwaliteiten hadden en het is geenszins zo dat het aantonen van de
profetische kwaliteit van de Centuriën het definitieve bewijs zou
leveren voor de opvatting dat Michel de Nostredame de schrijver ervan is,
zoals volgens de stelling: hij was een profeet,dus als kwatrijnen
profetisch zijn, zijn ze dus van zijn hand!
Natuurlijk
kunnen teksten niet als profetisch worden gezien als ze zijn geschreven na afloop van de gebeurtenissen die erin zijn vermeld en
vervolgens zijn ondergebracht in de nostradamische canon, en dit proces
was geen onbelangrijke reden voor het succes van deze canon. Eén van de
sleutelmomenten van de nostradamische exegese was zeker de executie van
de koning van Engeland, Charles I Stuart, zeker zo betekenisvol als het
Varennes-kwatrijn, dat te maken heeft met de vlucht van Louis XVI aan
het begin van de Franse Revolutie in 1789. Laat ons de nostradamische
exegese beginnen in de jaren rond 1650 en aanvaarden dat vroegere
gebeurtenissen zich afspelen in een tijd van wording. Dus, de Europese
loopbaan van de Centuriën begint met de edities van Leiden (1650),
Amsterdam (1667 en 1668) en Londen (1672). Dit is waarom de Janus Gallicus
(1594) is
uitgesloten van het exegesegebied, omdat aan het eind van de 16e eeuw
de opbouw van de nostradamische canon nog steeds gaande was. De
publicatie, daterend uit 1656, getiteld Eclaircissement
des véritables quatrains zou ook niet moeten worden meegerekend,
omdat deze slechts die gebeurtenissen beschrijft rond de laatste
koningen van de Valoisdynastie, die werd vervangen door de Bourbondynastie. Zeker, deze boeken behoren tot de geschiedenis van de
nostradamische exegese, maar op het niveau van validatie van het
nostradamische werk zijn ze niet van belang, vanwege een aantal
bewerkingen dat dit werk had te verduren tot in de 17e eeuw.
Dus
wij zouden graag zien, geachte heer, dat de gemoederen langzamerhand tot
bedaren komen en dat er geen wanhopige pogingen meer worden ondernomen om te bewijzen dat
de nostradamische canon van Michel de Nostredame is, gebaseerd op
bijvoorbeeld een schijnbare eenvormigheid qua inspiratie. Wij zouden dit
argument overwegen als men zou kunnen bewijzen dat één en dezelfde
onverdachte bron in alle tien centuriën is gebruikt en geciteerd, maar
niet op basis van een paar taalkundige argumenten: men moet niet
vergeten dat imitatie te maken heeft met het reproduceren van een
bepaalde stijl!
Laat
ons eindigen met de kwestie rond godsdienstoorlogen en Nederland is in
staat om het belang voor Frankrijk van deze oorlogen te begrijpen. Het
is erg waarschijnlijk dat de twee kampen naar manieren zochten om de Centuriën ten eigen bate aan te wenden, dat wil zeggen dat de
inspiratie van de Centuriën erg heterogeen is, zoals het gebruik van
"gog en magog" in de brief aan Henri II die aan het begin staat van de
centuriën
waarin expliciet de overwinning staat van de Protestanten (Mendosus,
anagram van Vendôme) op de Katholieken (Norlaris, anagram van Lorraine,
het huis van Guise) niet kan worden begrepen zonder verwijzing naar de
representanten van het protestantse profetisme, zoals wij in onze discussies hebben gezien, geachte
heer. Het is niet alleen door
toeval dat onder de katholieke Ligue, in Parijs, de stad die zich
verzette tegen de protestantse koning Henri IV, de gepubliceerde edities
van de Centuriën niet de Centuriën VIII-X bevatten. Er zijn genoeg
exemplaren van deze edities beschikbaar om te weten dat dit niet het
gevolg is van een conservatiefout.
Het is in uitgerekend deze periode, die we de tweede centurische era
hebben genoemd, dat de Centuriën werden gecensureerd en verminkt.
Tenslotte,
laat ons toevoegen dat het onderzoek naar de bronnen van de Centuriën
en andere teksten geen verwarring moet zaaien. Vaak zijn deze bronnen
gebruikt door vervalsers, in het bijzonder in het geval van de Guide
des Chemins de France
door Charles Estienne. Het interessante is dat het gebruik van deze gids
niet uniform is in alle tien centuriën. Inderdaad, het moet worden
begrepen dat vervalsers er erg gebeten op zijn om dit soort documenten te
gebruiken, min of meer intelligent aangewend, zoals in het geval van de
Eclipsium van Leovitius. Wij
echter kunnen ons nauwelijks een Michel de Nostredame voorstellen, slaafs
reisgidsen gebruikend om zijn kwatrijnen te completeren of blunders te
begaan zonder te merken dat de bronnen die hij gebruikt, niet
vergelijkbaar zijn en tegenstrijdig. Integendeel, het is een typisch
kenmerk van vervalsers om te zoeken naar snelle manieren om hun werk te
volbrengen. Het identificeren van een bron is geenszins het bewijs dat
een tekst afkomstig is van Michel de Nostredame: vervalsers kunnen ook
lezen en kopiëren.
Echter,
men kan niet uitsluiten dat in de massa, enkele kwatrijnen in de Centuriën niet van Michel de Nostredame zijn, zeker de historische
kwatrijnen, de kwatrijnen die verbonden zijn met historische
gebeurtenissen. Inderdaad, het lijkt erop dat, terwijl onze schrijver de
Prophéties Perpétuelles publiceerde, voorafgegaan door een brief aan zijn zoon César,
welke uitgave is verdwenen en waarover Couillard ons enkele delen
presenteert, hij [Nostradamus] het doel had om zijn orakeluitspraken,
verbonden aan precieze jaren, onder woorden te brengen door kwatrijnen
met overeenkomstige gebeurtenissen. Het is mogelijk dat een aantal van
deze kwatrijnen na zijn dood zijn bewaard en de publicatie van de Centuriën rechtvaardigden. Maar om welke kwatrijnen van de
Centuriën
gaat het? Men zou zich inderdaad kunnen afvragen waarom Nostradamus tijd
zou hebben besteed aan het in versvorm beschrijven van gebeurtenissen
als dat niet het doel had een bepaald astrologisch en historisch systeem
te concretiseren.
Men
moet niet denken dat een centurie noodzakelijkerwijs uit één geheel
bestaat. Wat zeker is, is dat deze kwatrijnen zijn verbonden met jaren,
omdat zonder zo'n verband een dergelijk werk geen betekenis zou hebben.
Het stelt ons in de gelegenheid te zeggen dat voor Michel de Nostredame
alle profetische teksten noodzakelijkerwijs met data verbonden moesten
zijn, zoals hij ze presenteerde in zijn Almanachs. Het lijkt dat het
feit dat publicatie van kwatrijnen zonder data in strijd is met de manier
waarop Michel de Nostredame zijn profetisch-astrologische werk deed en u
weet heel goed, geachte heer, dat een astroloog die geen enkele datum
geeft in iedere fase van zijn plan, geen echte astroloog is.
Hoogachtend,
Dr.
Jacques Halbronn
Parijs,
17 juli 2003.
|